Over Vertelkisten
Wat is een Vertelkist
Een vertelkist is een kist waarin één prentenboek zit en allerlei attributen die in het verhaal voorkomen. Kinderen en leerkracht zoeken een plek waar het verhaal met behulp van de attributen uit de vertelkist en zelf bedachte attributen nagebouwd en gespeeld kan worden.
Doelen
De belangrijkste doelstelling van vertelkisten is het stimuleren van de taalontwikkeling in brede zin. Met behulp van een vertelkist wordt er gewerkt aan de beginnende geletterdheid. Binnen de beginnende geletterdheid zijn allerlei tussendoelen te onderscheiden:
• Boekoriëntatie
• Verhaalbegrip
• Functies van geschreven taal
• Relatie tussen gesproken en geschreven taal
• Taalbewustzijn
• Alfabetisch principe
• Functioneel schrijven en lezen
• Technische lezen en schrijven
Er wordt expliciet aandacht besteedt aan de ontwikkeling van de woordenschat en de denkontwikkeling wordt enorm gestimuleerd. De boeken worden veelvuldig voorgelezen en herhaling is belangrijk voor het inslijpen van “nieuwe” taal. Bovendien wordt die “nieuwe” taal op allerlei verschillende manieren aangeboden. Kinderen zijn nu eenmaal allemaal verschillend en leren daarom ook verschillend. Door het werken met vertelkisten wordt taal steeds ondersteund met visuele middelen, leren kinderen door al handelend bezig te zijn en beklijven begrippen beter. Verder behoeft het belang van lezen en schrijven eigenlijk geen betoog. Door middel van het werken met prentenboeken wordt de leesmotivatie enorm gestimuleerd.
Vertelkisten: Voor alle kinderen en bij uitstek geschikt voor kinderen met spraak-
taalontwikkelingsachterstand, rugzakleerlingen cluster 2.
Methodiek
Naast goede leermiddelen (zoals vertelkisten) is de deskundigheid van de leerkracht enorm belangrijk. Kwaliteit van onderwijs valt en staat met de man of vrouw voor de klas. Om die kwaliteit te kunnen bieden is het van belang dat je vaardigheden ontwikkelt en middelen leert in zetten om b.v. de woordenschat uit te breiden en cognitieve vaardigheden te ontwikkelen bij “onze” kinderen. In het boek: ”Met woorden in de weer” van Marianne Verhallen wordt ingegaan op het werken aan de woordenschat. De leerkracht krijgt instrumenten in handen om woorden op een leuke en leerzame manier aan te bieden en in te oefenen.
Verder verdient de denkstimulerende interactiestijl de nodige aandacht. Praten met kinderen stimuleert de taalontwikkeling en zet kinderen aan het denken. Maar op een goede manier een gesprek voeren is niet eenvoudig. Bij de denkstimulerende interactiestijl komen verschillende denkvaardigheden aan bod. Het oorzaak-gevolg redeneren, het ontdekken van overeenkomsten en verschillen en het bedenken van oplossingen. Deze methode stimuleert krachtig en effectief de taal en denkontwikkeling van kinderen.
In de lesbrief, die bij elke vertelkist aangeleverd wordt, staan o.a. suggesties voor het uitbreiden van de woordenschat en het stellen van vragen volgens de denkstimulerende interactiestijl.
Werkwijze
Om de taalontwikkeling van kinderen zo optimaal mogelijk te stimuleren, is het van belang om volgens een stappenplan te werken. Kinderen leren vanuit routines. Natuurlijk kan daar van afgestapt worden als je merkt dat individuele of groepjes kinderen minder herhaling nodig zijn of juist meer herhaling. Goed onderwijs heeft alles te maken met kijken naar kinderen en daar ons onderwijs zoveel mogelijk op af stemmen.
Verder is herhaling belangrijk voor het inslijpen van “nieuwe” taal. Veelvuldig voorlezen van het zelfde verhaal is voor ons al snel vervelend, voor jonge kinderen daar in tegen heerlijk voorspelbaar. Bovendien kunnen ze zo succeservaringen opdoen waardoor ze gemotiveerd en gestimuleerd worden in hun ontwikkeling. Onderstaand schema is een richtlijn voor het werken met vertelkisten.
1. De leerkracht laat de omslag zien en leest het prentenboek voor. Laat kinderen voorspellingen doen halverwege het verhaal, over de afloop.
2. Bespreek waar het verhaal over gaat, moeilijke woorden kunnen worden toegelicht.
3. Lees het boek nogmaals voor en gebruikt hierbij de attributen. Bespreek welke functie ze hebben en bespreek met de kinderen waar het verhaal zich afspeelt.
4. Bouw samen met de kinderen aan de verteltafel. Hiervoor kunnen de materialen gebruikt worden die in de vertelkist zit. Naast de basisbenodigdheden kunnen kinderen zelf dingen bedenken, knutselen e.d. Het is belangrijk om een verteltafel/plek te kiezen die gedurende een langere periode kan blijven staan, dat kinderen op de verteltafel kunnen kijken en er gemakkelijk van alle kanten bij kunnen.
5. De leerkracht speelt nu zelf het verhaal aan de verteltafel. Hierbij hoeft de tekst niet letterlijk herhaald te worden (kinderen vullen soms vanzelf aan), maar is het belangrijk om de verhaallijn goed naar voren te laten komen.
6. Vervolgens leest de leerkracht het boek weer voor, terwijl de kinderen het verhaal naspelen. Ook kunnen kinderen het verhaal met behulp van de afbeeldingen vertellen en spelen de leerkracht en/of andere kinderen het verhaal (afhankelijk van niveau groep e.d.).
7. Vervolgens werken de kinderen in groepjes aan de verteltafel. De leerkracht observeert (en krijgt daardoor een schat aan informatie over de taalontwikkeling van de kinderen!) en voegt daar waar nodig taal toe.
8. Het werken aan de verteltafel kan als een taakwerkje opgenomen worden op het kiesbord zodat elk kind een keer aan bod komt. Leerkracht kan kinderen zelf laten kiezen wanneer en met wie er gewerkt wordt aan de verteltafel. Soms is het goed om vooraf een bewuste keuze van combinatie van kinderen te maken, om de taalontwikkeling zo optimaal mogelijk te stimuleren.
